Basiscontract met arbodienst verplicht gesteld

Op 1 juli 2018 is een wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) van kracht geworden. De nieuwe wet bepaalt dat iedere werkgever voortaan moet beschikken over een eigen overeenkomst met een arbodienst of bedrijfsarts: het basiscontract. In het basiscontract worden werkafspraken gemaakt voor de taken waarvoor de werkgever zich volgens de Arbowet moet laten bijstaan door kerndeskundigen.

Werkgevers moeten zich door zogenaamde kerndeskundigen laten bijstaan bij het uitvoeren van de taken op het gebied van preventie en bescherming. De kerndeskundigen zijn de bedrijfsarts, de veiligheidskundige, de arbeidshygiënist en de arbeids- en organisatiedeskundige.

De werkgever moet zich laten bijstaan bij de uitvoering van de volgende taken:
. Ziekteverzuimbegeleiding: hierbij gaat het om deskundige begeleiding bij re-integratie in geval van verzuim door ziekte of gebrek.
. Toetsen van en adviseren over de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E).
. Periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO): gericht op het regelmatig onderzoeken van arbeidsgebonden gezondheidsrisico’s. Werkgevers zijn verplicht een PAGO aan te bieden, werknemers bepalen zelf of zij hiervan gebruik willen maken.
. Aanstellingskeuring: deze wordt uitgevoerd om de medische geschiktheid van de sollicitant te onderzoeken. Een werkgever mag een werknemer alleen in specifieke, uitzonderlijke gevallen laten keuren. De regels hiervoor komen uit de Wet op de Medische Keuringen.
. Toegang tot de bedrijfsarts: de werkgever zorgt ervoor dat werknemers toegang hebben tot de bedrijfsarts (bijvoorbeeld via een open spreekuur).

Om ervoor te zorgen dat de kerndeskundigen op professionele wijze hun werk kunnen doen, worden daarover werkafspraken vastgelegd in het basiscontract. In het basiscontract moeten de volgende punten zijn opgenomen:
. Overleg met de ondernemingsraad (indien aanwezig) en preventiemedewerker (verplicht bij meer dan 25 werknemers): de kerndeskundigen moeten kunnen overleggen en samenwerken met de preventiemedewerker en de OR.
. Bezoek aan de werkplek: de bedrijfsarts moet iedere werkplek (vrij) kunnen bezoeken.
. Second opinion: de werknemer moet de mogelijkheid hebben om een second opinion aan te vragen aan een andere bedrijfsarts als hij twijfelt aan een gegeven advies. Dit maakt het handelen van de professional transparant en toetsbaar.
. Klachtenprocedure: iedere bedrijfsarts of arbodienst moet een duidelijke werkwijze of procedure hebben die beschrijft hoe en waar de werknemer eventuele klachten kan indienen over de dienstverlening door de bedrijfsarts.
. Melden beroepsziekten: een bedrijfsarts moet tijd kunnen besteden aan het opsporen, onderkennen, diagnosticeren en melden van beroepsziekten.
. Advisering over preventie: advisering aan de werkgever door de bedrijfsarts over het voorkomen van gezondheidsklachten moet in het contract staan.

Iedere werkgever moet dus beschikken over een basiscontract met een arbodienst of bedrijfsarts. De werkgever is zelf verantwoordelijk voor de inhoud van het contract.

De Inspectie SZW kan bij het ontbreken van een basiscontract of onderdelen daarvan handhavend optreden.

DE VERENIGING VAN LABORATORIUMHOUDENDE TANDTECHNICI (VLHT) IS IN 1932 GOEDGEKEURD BIJ KONINKLIJK BESLUIT EN HEEFT TOT DOEL HET BEVORDEREN VAN DE PROFESSIONELE BELANGEN VAN DE ONDERNEMINGEN IN DE TANDTECHNISCHE BRANCHE IN NEDERLAND IN HET ALGEMEEN EN VAN DE LEDEN VAN DE VERENIGING IN HET BIJZONDER.